DR. F. DE GRAAFF: IsraŽl - Hellas - Rome. Het mysterie van de antieke beschaving. Boekencentrum Zoetermeer, 1993, 525 pagina's.

Een dik en moeilijk boek. Moeilijk niet in de zin dat de woorden of zinnen zo ingewikkeld zijn. Maar door de stijl van denken en door de grote geleerdheid van de auteur. De Graaff heeft de moed verrassende uitspraken te doen - en soms ook zeer aanvechtbare uitspraken. Helaas valt hij nog al veel in herhaling en wordt zijn boek door vele drukfouten ontsierd. Een samenvatting geven van dit boek is onbegonnen werk. Ik probeer de grote lijn weer te geven en plaats hier en daar een kanttekening (cursief). Tenslotte maak ik enkele algemene opmerkingen.

OUVERTURE.

De klassieke oudheid (Griekenland en Rome) is van fundamentele betekenis voor onze cultuur. Maar wij kunnen op die oudheid enkel terug-kijken. IsraŽl daarentegen was tijdgenoot van Griekenland en Rome en heeft op de klassieke cultuur een beslissende invloed gehad. Veel geschiedkundigen zullen deze laatste stelling niet onderschrijven. De Graaff bedoelt echter meer dan historie; hij spreekt van metahistorie. Metahistorie = de historie Šchter de historie: de invloed van de Goddelijke wereld op onze geschiedenis.

De metahistorische sleutel vinden we in Genesis 25: de geboorte van Jakob en Ezau. Jakob houdt de hiel van Ezau vast = IsraŽl houdt de volkeren vast om hen tenslotte te verlossen. Ezau moet Jakob dienen, maar wil dit niet: hij acht zichzelf sterk genoeg. Hij grijpt daartoe terug op de restanten van het verloren paradijs (de jacht). Ezau openbaart zich in Babel (Genesis 10), Edom en vooral Rome. Zij worden beheerst door dezelfde genius. In de theologie van De Graaff speelt de genius van een cultuur of volk een grote rol. Hij baseert zich met name op Deuteronomium 32: 8-9 (Septuaginta, zie slotopmerking) en op DaniŽl 10-12, waar sprake is van de vorst of patroon-engel (Hebreeuws: sar) van PerziŽ, Griekenland en IsraŽl. De Joodse traditie ziet de geest van Ezau belichaamd in het Romeinse Rijk.

Jakob biedt aan Ezau de rode linzenmoes. Rood is de kleur van het verlossende offerbloed. Maar Ezau erkent de verlossing niet. Als Izaak Ezau zou zegenen, gaat de verlossing van de wereld teloor. Daarom moet Rebekka een list toepassen. De Graaff waardeert de list die metahistorisch het heil dient, positief. Hij geeft een zeer uitvoerige uitleg van de geschiedenis van de zegen van Jakob en Ezau. De zegen van Ezau gaat in vervulling in Rome. De haat van Ezau is het wezen van alle (ook christelijke!) jodenhaat. Er is maar ťťn weg tot de zegen van God: het zegenen van IsraŽl (Genesis 12: 3).

Op zijn vlucht voor Ezau krijgt Jakob in Bethel de bekende droom van de ladder met de engelen. De Graaff legt deze droom als volgt uit: De engelen zijn de machten van deze wereld. Zij dragen de nood en zonde naar boven naar de HEER. Zij keren terug naar de aarde met vergeving en verlossing. De ladder die aarde en hemel verbindt is de Tora: de wijsheid des HEREN. Het beklimmen van de ladder is het doen van de tora. Dit opstijgen ('ala) geschiedt uit de kracht van het offer ('ola). De opstijgende en afdalende engelen kunnen niet om Jakob heen. De verlossing van de machten geschiedt slechts via IsraŽl. In Johannes 1:52 wordt dat op de Messias van IsraŽl geconcentreerd.

Bij zijn terugkeer uit ballingschap worstelt Jakob met een Man. Dit is volgens de Joodse traditie: de engel of genius van Ezau. Deze worsteling vindt plaats in de nacht van de wereldgeschiedenis. De genius van Ezau verwondt Jakob: van Golgotha tot en met Auschwitz. Jakob zegt tegen de genius: Ik laat u niet gaan tenzij gij mij zegent. Want enkel zů is ver verlossing voor de volkeren: door IsraŽl te zegenen (Genesis 12:3)! Deze geschiedenis is profetie van de voleinding. Tot dan blijven Jakob = IsraŽl en Ezau = Rome gescheiden optrekken. De strijd tussen IsraŽl en Rome is het metahistorische geheim van de wereldgeschiedenis.

I. HOMERUS.

Homerus beschrijft de strijd tussen Griekenland en Troje. Deze ontbrandt om Helena = het principe der Griekse cultuur: het verheerlijkte vrouwelijke. Zij wordt geroofd door de Trojanen. In Troje werkt de genius van Ezau (een gedurfde stelling). De Grieken winnen de strijd door de list van het Trojaanse paard (opnieuw: de metahistorisch gerechtvaardigde list). De Graaff typeert vervolgens uitvoerig het Griekse ideaal. Het is het ideaal van de adel - de Griekse cultuur kent geen afzonderlijke priesterstand.

II. DE GRIEKSE TRAGEDIE.

Terwijl Homerus aristokratisch is, is de Griekse Tragedie bestemd voor het volk. Ze is een vorm van Dionysusdienst. Daarin wordt de dienst van moeder aarde gestyleerd. Dat betekent een onderwerping of verwerping van de vrouw (Helena), die correspondeert met de Griekse homofilie. Het huwelijk wordt verworpen (echtlieden zijn geen bloedverwanten). De mens stamt slechts uit de vader (Pallas Athene geboren uit het hoofd van haar vader Zeus). Het loslaten van de aarde komt voort uit behoefte aan onsterfelijkheid.

III. PLATO.

Ook Plato verwerpt de Homerische verheerlijking van Helena. Ook Plato's filosofie heeft een homofiele instelling: geestelijke liefde om de onsterfelijkheid te bereiken. Plato's kennisleer vinden we in Socrates' gelijkenis van de grot. Deze gelijkenis gaat over de weg van de inwijding. Een denkbeeldige gevangene in een grot kent niet de wereld buiten de grot; hij neemt enkel schaduwen waar op de muur van de grot. Pas als hij naar buiten wordt geleid, ziet hij de werkelijkheid, waarvan hij tot nu toe slechts de afschaduwing kende. De inwijding is de weg naar het licht. Het licht in de geestelijke wereld is de Idee van Het Goede. Socrates zelf is ingewijd door de profetes Diotima. Zij is IsraŽl, die wijst op de tora (hoe De Graaff dit uit de teksten kan bewijzen, blijft mij ondanks zijn uitvoerige betoog een raadsel). Door de weergave van Diotima's woorden wijst Plato een doel dat ver boven Hellas uitgaat.

IV. ALEXANDER DE GROTE.

Excurs: PerziŽ. De Perzische koningen waren volgelingen van Zarathustra. Deze leerde het dualisme van de goede god Ahura Mazda en de kwade god Ahriman. De Perzische koningen waren monotheÔsten (Xerxes: Er is maar ťťn God, pag. 214). Zij wilden het koninkrijk van God (Ahura Mazda) voorbereiden. Daartoe voerden zij oorlogen tegen de onderdrukkende wereldrijken. De zo bevrijde volkeren (zoals de Joden) kregen vrijheid voor eigen cultuur en religie. Zo wordt Cyrus messias van JHWH genoemd (Jesaja 45:1): hij wordt gezegend ten bate van IsraŽl. Zo bereidt Cyrus de komst van Gods koninkrijk voor. In DaniŽl 10 wordt de praeŽxistente Messias 3 weken lang opgehouden door de (engel)vorst van het Perzische Rijk. Op het kritieke moment verzet de sar van PerziŽ zich: hij wil zelf in plaats van IsraŽl treden. Daarmee begint de verzwakking van PerziŽ.

De Perzische en Griekse cultuur staat tegenover elkaar. De Perzen verheerlijken de aarde en het vrouwelijke; zij willen het paradijs op aarde. De Grieken verheerlijken de onsterfelijkheid en de homofilie; zij zijn individualistisch en demokratisch ingesteld. Tussen beide culturen worden oorlogen gevoerd (Darius en Xerxes). Griekenland hield stand, maar verzwakte door interne strijd. Philippus van MacedoniŽ verenigde de Grieken tegen Perzie.

Het Perzische rijk wordt tenslotte veroverd door zijn zoon Alexander de Grote. Hij wilde het vrouwelijke verheffen en wees homofilie af. Bij hem openbaarde zich de invloed van Diotima (IsraŽl). Hij kiest ervoor de opvolger te worden van de Perzische koning Darius. Hij huwt een Perzische vrouw: Roxane. Hij noemt zichzelf zoon van Zeus-Ammon (verbinding van Grieks + Egyptisch!). Zijn ideaal is een wereldomvattend rijk waarin alle culturen tot hun recht komen (hellenisme). Daartoe is ťťn verbindende taal nodig: het koine-grieks. Zo wordt de mens tot wereldburger (kosmopilites). Te Jeruzalem aanbidt Alexander de God van IsraŽl. Hij zag JHWH als de openbaring van de Allerhoogste God (pag. 245). Hij wilde alle volkeren der wereld leggen aan de voeten van de Messias. Maar zijn troepen raken in hem teleurgesteld. Zijn volk is niet langer bereid zijn ideaal te dienen. Alexander sluit zich drie dagen op in zijn tent. Hij worstelt met God: Alexander wil zijn opdracht doorzetten maar God heeft mededogen met Alexanders volk. Na drie dagen besluit Alexander tot terugkeer (NB: Dit is een reconstructie van De Graaff naar analogie met Jezus (pag. 240), geen geschiedschrijving!). De komst van het koninkrijk Gods wordt daarmee eeuwen uitgesteld.

Alexander en Jezus zijn ieder 33 jaar oud geworden. 33 is het getal van de incarnatie: 2/3 van de volkomenheid (49 = 7x7). Alexander was voorloper van Jezus. Het Hellenisme was wegbereider van het koninkrijk Gods. De worsteling van Alexander is een heenwijzing naar de worsteling van Jezus in Gethsemane. Jezus bidt: "Laat deze beker aan mij voorbijgaan". De inhoud van de beker is dat Jezus wordt losgemaakt van Zijn volk en uitgeleverd aan de Romeinen. Jezus' wil is dat Zijn volk zů trouw zal zijn aan de Tora dat Hij het samen met de volkeren onmiddellijk het Rijk kan binnenvoeren. De wil van de Vader is echter, uit barmhartigheid met het Volk, dat Jezus Zelf de wetsvervulling op Zich neemt. Daarmee wordt de verlossing eeuwen uitgesteld. Esoterisch blijft Jezus echter met Zijn volk verbonden ("Ik ben met u tot de voleinding van de wereld").

Na zijn besluit tot terugkeer (ten bate van Zijn volk!) sterft Alexander. Hij heeft zijn dood als offerdood beleefd: het offer van zijn leven voor het Hellenisme. Zo zal hij de eeuwen door vanuit de hemel het Hellenisme begeleiden als voorbereiding van het koninkrijk Gods. Het bestaat voort in het Byzantijnse rijk, de Russchische cultuur en de Orthodoxe kerk. De esoterische verbinding van het Hellenisme met IsraŽl blijkt in de verering van MichaŽl (de sar van het Joodse volk) in het Byzantijnse rijk en Rusland. Exoterisch is het Hellenisme na Alexander vaak vreselijk anti-Joods geweest. Antiochus IV poogde de Joden te helleniseren. In Rusland vonden pogroms plaats.

In AlexandriŽ ligt Alexander begraven. Daar werd de Schrift van IsraŽl vertaald in de taal van het Hellenisme: de Septuagint. Zo werd de kennis van de God van IsraŽl wereldwijd verbreid. Echter ook met schaduwzijden:
- Joden kwamen in de verleiding om het Hebreeuws te verwaarlozen
- de volkeren meenden de Schrift beter te verstaan dan de Joden zelf
- er kunnen Griekse associaties binnensluipen die vreemd zijn aan de Schrift.
In het latere Parthische Rijk was de Joodse invloed groot. De godsdienst van Zarathustra was hier staatsgodsdienst. Men zag de verwantschap van de Joodse en Perzische religie. Babylon werd het middelpunt van het Jodendom. Hier ontstond de Babylonische Talmud. Pas toen de Parthen het esoterische geheim vergaten, gingen ze over tot Jodenvervolging. Door de verovering van het Parthische Rijk door de Islam werden de Joden bevrijd.

V. HET ROMEINSE RIJK

Rome is de grote tegenstander van het messiaanse heil. Rome is altijd gericht op het praktische (eigen)belang. Ook de Romeinse godsdienst en het Romeinse recht zijn praktisch. Overwonnen volkeren houden hun cultuur en godsdienst, maar worden in dienst gesteld van het Romeinse belang. Alles is ondergeschikt aan Rome zelf, ook de goddelijke wereld (terwijl IsraŽl zich dienstbaar weet aan God).

Rome gaat terug op Troje (AeneÔs), dat Helena (het Griekse beginsel) heeft geroofd. Rome, Troje en Ezau worden door dezelfde macht (sar) geleid. Zoals Ezau de voorrang van Jakob niet wil erkennen, zo wil Rome de priesterdienst van IsraŽl niet erkennen. Rome ontkent dat het bij de Jabbok (Genesis 33) IsraŽl gezegend heeft. Analoog aan de tweeling Ezau en Jakob staan aan het begin van de Romeinse geschiedenis Romulus en Remus. Romulus // Ezau is de eerste qua macht - Remus // Jakob is de eerste qua goddelijke verkiezing. Tenslotte doodt Romulus Remus (zoals Ezau Jakob wil doden). Maar Remus // IsraŽl laat zich niet doden. Zo strijden in de wereldgeschiedenis de wereldse macht van Rome en de geestelijke macht van IsraŽl.

De Romeinse koningen (tot 510 voor Christus) dragen de smet van de broedermoord van Romulus. De Romeinse Republiek (510-44 voor Christus) werd geleid door de geest van het imperium = heerschappij. Alles werd dienstbaar aan het Romeinse imperium; ook de goddelijke wereld en de onderworpen volkeren. Intussen werd het volk (plebs) steeds meer een massa (proletariŽrs). De ekonomie berustte steeds meer op de slaven. De senaat was verstard.

Caesar zag dit alles. Caesar heeft zijn epilepsie gebruikt als toegang tot de geestelijke wereld. Hij verhief zich boven het Romeinse principe. Hij zag Rome als middel tot een hoger doel. Hij besefte dat de genius van Ezau-Rome Jakob heeft gezegend. Door deze erkenning kon Rome zelf gezegend worden (Genesis 12: 3). Alexander was Caesars voorbeeld. Zoals Alexander het Hellenisme zag als voorbereiding van Gods Koninkrijk, zo wilde Caesar Rome dienstbaar maken aan de verlossing. In Cleopatra (een vrouw!) ontmoet hij de geestelijker erfenis van Alexander. Daarna kwam Caesar terug in Rome om koning bij de gratie Gods te zijn met als koningin Cleopatra en als opvolger hun kind Caesarion. Hij gaf de Joden vele voorrechten. Hij wilde de Parthen inlijven (het oveblijfsel van het Perzische Rijk). Zijn streven naar het koningschap was aanleiding tot de moord op hem in de senaar (44 voor Christus). Waarschijnlijk heeft Caesar begrepen dat de genius van Rome weigerde om Jakob te zegenen en heeft hij zich toen ten offer gewijd ten behoeve van zijn volk. De verlossing van de wereld werd opnieuw voor eeuwen uitgesteld.

Het keizerrijk (vanaf 44 voor Christus) volhardt in de geest van Ezau. In Caesars adoptiefzoon Octavianus openbaart zich de genius van Rome. Hij erkende de senaat en het volk. Hij maakte alles dienstbaar aan Rome. Hij weerde daarmee Gods zegen voor Rome af. De geestelijke erfenis van Alexander was nog aanwezig in Antonius, maar deze had niet het formaat van Caesar; hij stelde de Edomiet Herodes boven de Joodse koning. Na zijn dood pleegde Cleopatra zelfmoord door een slang. Octavianus liet Caesarion vermoorden. De senaat gaf hem de titel Augustus: de openbaring van de genius van Rome. Hij herstelde de oude godsdienst en zeden van Rome. Vergilius en Horatius zagen de gouden eeuw van Augustis als een aards vrederijk: de verlossing van de wereld naar het beginsel van Ezau. De Pax Romana betekent onderwerping van de volkeren ten behoeve van Rome.

Onder Augustus' opvolgers werd zijn heilsrijk tot tyrannie. Van buitenaf bedreigde drie volkeren Rome. De Germanen versloegen Rome bij het Teutoburgerwoud (9 na Christus). In de Parthen leefde de kracht van het oude Perzische monotheÔsme voort. De Joden waren politiek door Rome overwonnen: in Herodes heerste Ezau over Jakob, maar binnen IsraŽl groeide het verzet: het geestelijke verweer van de FarizeeŽn en het gewapende verzet van de Zeloten.

NB: De Graaff ziet Caesar veel positiever dan Augustus - een oordeel dat niet alle historici zullen delen. Een vraag bij de metahistorische beschouwingen van De Graaff is steeds in hoeverre de historische figuren (in dit hoofdstuk Caesar, Antonius, Cleopatra, Augustus) zich hun metahistorische betekenis bewust geweest zijn; of gaat het om profetische duiding achteraf door De Graaff??.

VI. DE VOLHEID DES TIJDS EN HET ONTSTAAN VAN HET CHRISTENDOM.

Jezus preekte: "De tijd (kairos) is vervuld en het Koninkrijk van God is nabij!" (Marcus 1:15). Hij is geboren uit IsraŽl: het uitverkoren middel in Gods hand om de volkeren te verlossen. Hij wordt geboren uit een vrouw: in Hem krijgt het vrouwelijke haar vervulling. Hij heeft het tekort aan wetsvervulling opgeheven; daardoor krijgt nu geheel IsraŽl het Zoonschap met als einddoel het Zoonschap van de volkeren (Galaten 4: 4-7). NB: De Graaff vertaalt God (qeoj zonder lidwoord) steeds met "de Goddelijke wereld",blijkbaar inclusief de engelenmachten. De volkeren worden beheerst door de wereldgeesten = de machten van het Romeinse Rijk. IsraŽl, losgekocht door de Zoon, gaat nu de geestelijke strijd aan met Rome om de volkeren te verlossen.

Het Koninkrijk van God is driemaal in de geschiedenis nabij geweest:
a) vlak vůůr de terugtocht van Alexander de Grote.
b) vlak vůůr de moord op Caesar.
c) in de komst van Jezus
Alle drie deze kairoi zijn verstreken zonder dat de verlossing daadwerkelijk is gekomen.

De EvangeliŽn plaatsen Jezus' geboorte in het kader van de wereldgeschiedenis.

Mattheus 2 noemt Herodes en de wijzen uit het Oosten (Perzische priesters die naar de profetie van Zarathustra de Verlosser [Saoshyant] verwachtten). Herodes beseft dat de Messias is geboren. In Herodes wendt de genius van Ezau-Rome voor de Messias (Jakob) te willen zegenen, maar ten eigen bate (om Hem te doden). Door een list (vgl. de list van Rebekka en de list van het Trojaanse paard) wordt de Messias gered. Daarna volgt de kindermoord. Het wezen van alle pogroms is het Joodse volk, daarin de Messias, daarin God te vernietigen. De wijzen keren terug naar hun land: het land van de Parthen > het nieuw Perzische Rijk. Zo wordt dit een grote tegenstander van Rome en de bakermat van de Babylonische Talmud. Het Kind moet vluchten naar Egypte. Het gaat in ballingschap naar AlexandriŽ. Hier ligt Alexander de Grote begraven. Hier woonde in deze tijd Philo, die de Egyptische, Hellenistische en Joodse wijsheid kende. Philo leert de kwalitatieve afgrond tussen God en de schepping. Deze afstand wordt overbrugd door de ideeen (Plato) of engelen (Philo). Deze ideeen of engelen vinden hun eenheid in de logos = de Tora: het Scheppingswoord dat de bestemming is van alles wat bestaat. De logos neemt gestalte aan in IsraŽl. Waarschijnlijk heeft Philo de Tora herkend in het kind Jezus (een speculatie van De Graaff!). Deze ervaring van Philo is verwoord in Johannes 1: het Woord is vlees geworden...

Lucas 2 begint met de tegenstelling tussen de geest van Ezau / Rome (Augustus - Quirinius) en het verborgen handelen van de God van IsraŽl. Jezus, geboren in Bethlehem, wordt Jezus van Nazareth genoemd (weer de list). De Messias wordt geboren om het volk te mobiliseren voor de grote aanval op Rome. Daardoor kan IsraŽl worden tot redder der volkeren (van Rome!). Jezus betekent "Eer onder de hoogsten, voor de Goddelijke wereld (qeoj) en op aarde vrede. En onder mensen welbehagen" (vrede = gemeenschap van de Goddelijke wereld en de mensen). De mobilisatie van IsraŽl begint met de herders (de kern van het oude volk). Jezus wordt in de tempel verbonden aan de Wet van Mozes > de Joodse traditie. Simeon is rechtvaardig (wetsbetrachting) maar weet dat wetsbetrachting tekort schiet; daarom verwacht hij de vertroosting van IsraŽl = het koninkrijk Gods. Simeons dienst is ten einde: het defensief van de rechtvaardigen gaat nu over in een offensief. De volkeren worden nu ont-sluierd (apokalupsis) om het licht van IsraŽl te kunnen zien. De twaalfjarige Jezus in de tempel blijkt de vleesgeworden Tora. Volgens de Talmud kennen vier mensen God uit zichzelf: Abraham, Job, Hizkia en de Messias. De rabbijnen begrijpen dus dat Jezus de Messias is. Zo worden ze voorbereid op het grote offensief.

De EvangelieŽn gaan over de mobilisatie van IsraŽl en Handelingen beschrijft de aanval op Rome. Dit is meestal in de uitleg miskend (pag. 329). In Lucas 3 wordt eerst de historische situatie getekend: de onderdrukking van IsraŽl door Rome: Tiberius = de man van de Tiber (vgl. Ezau van de Jabbok) - Pilatus (zelf ook uit een onderworpen volk: de Samnieten) - Herodes (de Edomiet = afstammeling van Ezau). Johannes preekt bekering: tot het offensief! De bijl van Rome ligt aan de wortel van IsraŽl. De Messias zal Zijn volk met Geest toerusten tot de strijd tegen Rome. Herodes neemt Johannes gevangen: de aanval van Rome op IsraŽls mobilisatie. Maar dan is het hele volk al gedoopt: door Jezus' doop en gebed is heel IsraŽl gemobiliseerd. In Lucas 4 opent de genius van Rome (! tradionele uitleg: de duivel) de tegenaanval in de verzoeking in de woestijn. Zoals Jakob met hem worstelde bij de Jabbok, zo Jezus in de woestijn. De genius biedt Jezus het keizerschap van het Romeinse Rijk aan, op voorwaarde dat Jezus Zich aan hem onderwerpt. Hij probeert zo Jezus los te maken van Zijn volk. Zo zal later Jezus vaak worden voorgesteld als hoofd van de Romeinse Kerk. Maar Jezus weigert de onderwerping aan de genius van Rome. En Hij weigert ook het volk te winnen met brood (1e verzoeking) en spelen (3e verzoeking).

Jezus is niet gekomen om vrede (pax romana) te brengen op aarde, maar vuur en verdeeldheid (strijd tegen Rome) (Lucas 12:49-53). Herodes wil Jezus doden; maar Jezus rust Zijn volk toe tot de aanval (Lucas 13:31-35). In de aanval op Rome wijst Jezus de partizanenstrijd af, maar roept op tot geestelijke strijd. Zich verdedigen mag men met het zwaard (Lucas 22:36), maar aanvallen moet men met de liefde (bergrede). Jezus verwerpt alle assimilatie van IsraŽl aan Rome: geef de keizer wat des keizers is (munt met beeldenaar: afgodsbeeld!) - geef Gode wat Gods is (de mens: geschapen in het Beeld Gods = de Tora) (Lucas 20:20-26).

Jezus' optreden stelt het Sanhedrin voor een probleem. Zijn tekenen bewijzen dat Jezus de Messias is. Maar het Sanhedrin acht gewapende strijd tegen Rome kansloos: het hele volk dreigt zo verloren te gaan. Dan spreekt Kajafas profetisch: het is beter dat ťťn man sterft ten bate / in plaats van het volk: zoals de ram werd geofferd in plaats van Isašk, zo moet Jezus geofferd worden in plaats van IsraŽl. Dit is opnieuw een (krijgs)list: exoterisch levert IsraŽl Jezus uit, opdat Rome Jezus zal aannemen - esoterisch blijft Jezus aan IsraŽl verbonden; met Jezus neemt Rome het diepste wezen van het Jodendom aan (Johannes 11- onhelder blijft inhoeverre Kajafas dit zelf zo bedoeld heeft!). Daarom moeten ook na Christus de Joden hun eigen identiteit handhaven.

De zeloten voerden gewapend verzet tegen de Romeinen. De in het evangelie vaak genoemde "rovers" waren meestal zulke partizanen. Jezus had er twee onder Zijn discipelen: Simon de Zeloot en Judas Iskarioth (sicariŽr). Het doel van Jezus en de partizanen is hetzelfde: de strijd tegen Rome. De taktiek is verschillend: Jezus roept op om verstandig als de slangen en rein als de duiven te zijn. Judas is de Jood bij uitstek. Exoterisch heeft hij Jezus overgeleverd aan de Romeienen (de krijgslist!) - esoterisch blijft Jezus met Judas verbonden ("vriend" in Mattheus 26:50). Na Jezus' veroordeling raakt Judas vertwijfeld, maar het Sanhedrin zegt: "gij zult zien", namelijk: de overwinning van de Messias (!). Judas is als ťťn van de Twaalven getuige geweest van Jezus' opstanding (1Corinthe 15:5 en Johannes 20:24).

De moeder van de zonen van Zebedeus wil dat haar zonen zitten aan Jezus' linker- en rechter-hand; maar Jezus zegt: die plaats is al beschikt door Mijn Vader (Mattheus 20:20-27); namelijk aan de partizanen die links en rechts van Hem gekruisigd werden (Mattheus 27:38). De ťne blijft aanvankelijk nog bij de gewapende strijd ("als Gij de Messias zijt: red Uzelf en ons"); de ander bekeert zich tot de nieuwe strijd-methode ("Gij kunt straks op mij rekenen"). Uit het zwijgen van de eerste blijkt dat hij is overreed (Lucas 23:39-43).

Het Sanhedrin wil Jezus uitleveren aan Rome, om door Zijn opstanding Rome te overwinnen. Daartoe moeten de Romeinen Jezus accepteren. Daartoe moet Jezus exoterisch worden losgemaakt van IsraŽl. Daaraan leidt Jezus in Gethsemane. Zijn wil botst met die van de Vader. Jezus (de vleesgeworden Tora) wil de overwinning door de wetsvolbrenging van IsraŽl. De Vader is begaan met het tekortschietende IsraŽl; in hun plaats zal Jezus alles volbrengen. Dit betekent wel een uitstel van de verlossing van duizenden jaren. De meeste Joden en Christenen zien niet verder dan deze exoterische losmaking. Esoterisch blijft de band tussen Jezus en IsraŽl in stand. In hogere inwijdingen kan men deze band schouwen. Aan het avondmaal noemt Jezus de wijn het bloed van het verbond (de blijvende bloedband met IsraŽl), vergoten tot vergeving van zonden (IsraŽls tekortschieten in het volbrengen van de Tora) (Mattheus 26:28). IsraŽl heeft dit verstaan: tegen Pilatus zegt het hele volk: dit verbondsbloed van Jezus is over ons en over onze kinderen (Mattheus 27:25): de esoterische band met Jezus blijft, terwijl ze Hem exoterisch loslaten; ze offeren Jezus in hun plaats, zoals de ram in plaats van Izaak. De hoger ingewijden weten dit, de lager ingewijden handelen onbewust dienovereenkomstig. Er bestaat een esoterische verstandhouding tussen Jezus en Kajafas. Daarom hoeft Kajafas Jezus niet te verhoren (Johannes 18) en daarom bevestigt Jezus Kajafas' profetie (Mattheus 26:64). Daarna wijdt Jezus het Sanhedrin verder in: "Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien zitten aan Gods rechterhand". Ook uit de Talmud blijkt de esoterische band tussen Jezus en IsraŽl: Petrus blijft het Jodendom trouw; zijn aansluiting bij de Romeinse christenen is slechts een krijgslist met als doel dat het Joodse volk niet opgaat in het christendom maar zuiver blijft bestaan.

Pilatus weigert aanvankelijk om Jezus te veroordelen (terwijl hij toch vele Joden heeft vermoord). Blijkbaar is hij achterdochtig. Hij stuurt Jezus door naar Herodes. Herodes probeert Jezus te doorgronden, maar enkel uit eigenbelang, niet uit verlangen naar heil. Evenals zijn vader weet Herodes dat Jezus Koning is, maar hij weigert Hem als zodanig te erkennen doch bespot Hem. Zo worden Herodes en Pilatus vrienden: met elkaar verbonden door de genius van Rome. Maar de overpriesters houden aan: Jezus moet sterven voor het volk. Dan grijpt Pilatus' vrouw in. Zij ziet in haar droom het grote metahistorische verband (samengevat op pag. 377/8). Zij raadt haar man om IsraŽl en zijn Koning te erkennen. Maar juist dit oponthoudt geeft de Joodse leiders de gelegenheid het volk in te wijden in de profetie dat Een moet sterven in plaats van het volk. Daarom kiest het volk vervolgens voor Bar-abbas; Jezus moet gekruisigd worden (omdat dit de Romeinse doodstraf is). Pilatus wast zijn handen in onschuld; hij is onschuldig van Jezus' bloed. "Het hele volk" (Mattheus 27:25) antwoordt dat dit verbondsbloed al eeuwen reddend en vergevend op hen rust. NB Hier zegt De Graaff uitdrukkelijk dat deze dingen het besef van Pilatus en het volk verre te boven gaan; met andere woorden: hij weet het beter dan de bijbelse personen! Daarmee erkent IsraŽl Jezus' uitspraak bij het avondmaal over de blijvende esoterische band van het volk met Jezus. - Vervolgens geeft De Graaff een uitvoerige uitleg van het gesprek van Pilatus en Jezus volgens Johannes 18-19: de realiteit van de Romein Pilatus tegenover de waarheid van de God van IsraŽl. Tenslotte doet Hij Jezus zitten op een troon om Hem te verklaren tot vazalvorst van de keizer (Johannes 19: 13; NBG vertaalt ekaqisen aannemelijker met: Pilatus ging zitten). Hij probeert het Messiaanse Koningschap dienstbaar te maken aan de genius van Rome. Daarna kruisigt Pilatus Jezus als "Koning der Joden": de vernietiging van de waarheid door de realiteit. De kosmos is geschokt (duisternis) Daarmee loopt Rome in de hinderlaag van IsraŽl. De Romeinse hoofdman erkent Jezus als een Zoon van de goddelijke wereld.

In Jezus' opstanding overwint de waarheid de realiteit. De opstanding is overwinning. De Romeinse cohort slaat op de vlucht. Van daaruit gaat de geestelijke strijd tegen Rome voort. Het lege graf bewijst dat Jezus' lichaam is verheerlijkt. Slechts een beperkte groep ziet de Opgestane (onmiddelijke openbaring). Deze groep zijn het uitgangspunt van de verkondiging: de geestelijke aanval op Rome. In 40 dagen worden zij ingewijd. Paulus noemt in 1Corinthe 15: 6 een groep van meer dan 500 broeders (= mede-ingewijden), van wie sommigen "ontslapen waren geweest"; deze laatsten zijn volgens De Graaff de in Mattheus 27:31 "opgestane ontslapenen"; te midden van hen verbleef Jezus waarschijnlijk gedurende deze 40 dagen op een voor niet ingewijden ontoegankelijke verblijfplaats - een bijzonder verrassende uitleg! Jezus geeft Zijn leerlingen de opdracht: "Wier zonden gij overwint, van hen zijn ze overwonnen" (Johannes 20:21). Dit slaat volgens De Graaff op de zonden van Rome, die niet moeten worden kwijtgescholden, maar overwonnen! De heidenvolkeren (dus allereerst hun engelen of genii!) moeten worden "ingewijd" (NBG: tot discipelen gemaakt) in drie onderdompelingen of graden van inwijding: 1) in de Naam van de Vader (de kennis van de Hoogste God); 2) in de Naam van de Zoon (het schouwen van de Goddelijke wijsheid, geincarneerd in het volk IsraŽl); en 3) in de Naam van de Geest (de inwoning Gods in de wereld, zodat Gods wijsheid gestalte krijgt in mensen en volkeren). Dan zal Rome overwonnen zijn en de wereld verlost. "En zie, Ik ben met ulieden (= het volk van IsraŽl!) tot (doel!) de overwinning (!) van de wereld" = Rome (Mattheus 28:18-20). Er zijn dus twee legerafdelingen die strijden om Rome te overwinnen: a) het Joodse volk (thuisfront) en b) de Elven (stoottroepen).

VII. DE HANDELINGEN DER APOSTELEN.

Esoterisch vormen thuisfront en stoottroepen een mystieke eenheid, maar exoterisch vindt een scheiding plaats, volgens de taktiek van de camouflage. In Handelingen lopen esoterische en exoterisch steeds door elkaar. De eerste helft van het boek vertelt over het thuisfront (IsraŽl). Het vormt een kern in IsraŽl met een strenge discipline (de zwakke Ananias en Saffira stierven niet letterlijk, maar werden uitgebannen). De Hogepriester is bang dat de apostelen de camouflage zullen verraden. De farizeeŽr Gamaliel wijst de standpunten van zowel zeloten (opstand) als sadduceeŽn (compromis) af. Waarschijnlijk (!) heeft hij de Raad ingewijd in het esoterische verband tussen thuisfront en stoottroepen, dat echter exoterisch gecamoufleerd moest blijven. Vandaar dat de Raad de apostelen verbiedt om in Jezus' Naam te spreken (Handelingen 5).

In Handelingen 6 ontstaat een conflict tussen HebreeŽn en Hellenisten. Naast de 12 apostelen worden 7 mannen met Griekse namen gekozen. In de toespraak van Stefanus verbleekt de betekenis van IsraŽl. De esoterische band tussen thuisfront en stoottroepen staat op het spel. Er breekt een vervolging los. Blijkbaar zijn zowel de zeven diakenen (Stefanus!) als hun vervolgers lager ingewijden. De apostelen blijven buiten schot, waarschijnlijk door tussenkomst van de Raad (beide hoogst ingewijde groepen). De lager ingewijden hebben twee beperkingen: 1) ze zijn te goed van vertrouwen (Filippus tegenover Simon de tovenaar!); 2) de Geest wordt niet uitgestort. De hoogste inwijding (apostelen) geeft geestelijk doorzicht en is voorwaarde voor de uitstorting van de Geest.

Saulus is door Gamaliel slechts ingewijd tot de tweede graad. Hij kan daarom slechts de exoterische scheiding van thuisfront en stoottroepen zien. Daarom vervolgt hij "de gemeente Gods" (= [een deel van] het volk IsraŽl; dus niet "de christelijke gemeente"!). Voor Damascus wijdt Jezus Zelf Saulus in tot de hoogste graad. Daarna wordt hij en Barnabas afgezonderd om aanvoerders te worden van de stoottroep tegen Rome. Daarna doodt Herodes (de Edomiet: Ezau!) Jacobus (Jakob!), maar God rechtvaardigt de apostelen voor het Volk door 1) de dood van Herodes en 2) de bevrijding van Petrus (Handelingen 12).

Het vervolg van Handelingen beschrijft de esoterische band + de exoterische tegenstelling van de beide legerafdelingen. De zorg van de Joden is dat het thuisfront ongerept blijft. Tot de stoottroepen worden enkel speciale uitverkorenen toegelaten, zoals Saulus. De tovernaar BarJezus probeert de Romeinse stadhouder Sergius Paulus op te nemen in het Jodendom; dat zou de geestelijke aanval op Rome in gevaar brengen. Daarom keert Saulus zich tegen BarJezus. Hij doet dat met een blik van verstandhouding (! NBG vs 9: "zag hem scherp aan"). Hij wordt juist (vanaf) nu Paulus genoemd (een Romeinse naam als camouflage!). (Handelingen 13). Dus exoterische scheiding bij esoterische verbondenheid.

In het vervolg van Handelingen loopt de spanning tussen beide legerafdelingen op. De Judaisten willen de heidenen tot Joden maken. Stefanus wilde de Joden assimileren aan de bekeerde heidenen. Beide vermengingen zouden het krijgsplan doorkruisen. Paulus leert het onderscheid: bij IsraŽl wordt de wetsbetrachting aangevuld door het geloof, voor de heidenen leidt het geloof tot wetsbetrachting (Handelingen 13:38-39). Ook Jacobus op het apostelconvent (Handelingen 15) leert dit onderscheid. Aan de heidenen moet niet de (hele) Tora worden opgelegd. De Joden moeten de Tora blijven volbrengen. Ze doen dit plaatsvervangend voor de heidenen (lastenverlichting voor de heidenen is mogelijk "omdat Mozes in elke stad in de synagogen wordt gepredikt" (Handelingen 15:21). Zo besnijdt Paulus ook Timotheus (Handelingen 16: 3).

Daarna leidt de Geest Paulus naar Troas: het oude Troje = het stamhuis van Rome. Daar ziet hij in een nachtgezicht een Macedonische man: de genius van het Hellenisme: Alexander de Grote! Deze zegt Paulus zich eerst te wenden tot het Hellenisme om het te helpen in de strijd tegen Rome. Paulus gaat naar Filippi: de koningsstad van Philippus (vader van Alexander) + een Romeinse kolonie. Daar herkent hem een vrouw met een Apollinische geest: de geest van het Hellenisme. Zij maakt Paulus aan het Hellenisme bekend. Daarna maakt Paulus een eind aan deze Hellenistische profetie, omdat deze nu door Jezus is vervuld. Dit wordt beschreven door Lukas: de wolfsman (loukoj): een Apollinische verschijning, dienstbaar aan de vervulling van het Hellenisme door Jezus. De Romeinse magistraten reageren heftig. (Handelingen 16). Daarna gaat Paulus naar Thessalonica. Vooral proselyten (heidenen) geven gehoor. Exoterische groeit de kloof tussen de Joden en de christelijke gemeente. Enkel de hoogst ingewijden aan Joodse en christelijke kant weten van de esoterische verbondenheid.

In Athene richt Paulus zich direct tot de heidenen. De Atheners verlangen naar "iets nieuwers" (= opening van de kosmos: verlossing! Handelingen 17:21 positief opgevat!). Dan spreekt Paulus ('efh, zoals Pythagoras autoj 'efa). Paulus heeft in Athene het altaar gevonden "voor de goddelijke wereld waarvan wij geen inwijdingskennis hebben" ("kennen" vat De Graaff consequent op als "ingewijd zijn"). Paulus gaat de Grieken inwijden in de kennis van de de God van IsraŽl. God gaat de wereld (= het Romeinse Rijk) richten (= overwinnen) door ťťn Man: Jezus = de Vleesgeworden Tora. Paulus roept de Hellenistische cultuur op om bondgenoot te worden van IsraŽl in de grote strijd tegen Rome. Enkelen geven gehoor aan zijn oproep: Dionysius de Areopagiet (De Graaff meent dat de naar hem genoemde geschriften inderdaad op hem teruggaan: Platonisme dat door Paulus is ingewijd) en de vrouw Damaris (verheffing van de vrouw, doorbreking van de Griekse homofilie en herstel van het mannelijke + vrouwelijke Beeld Gods) (Handelingen 17).

Voor de Joodse Raad verwoordt Paulus de esoterische band, maar deze wordt gecamoufleerd door het exoterische conflict. Daarop volgt de confrontatie met Edom + Rome in de personen van Herodes Agrippa en Bernice. De Romein Festus wijst Paulus' boodschap af. Paulus beroept zich op de keizer en trekt dan rechtstreeks op tegen Rome zelf (Handelingen 21-28). De uitwerking is dat de God, de Messias en de Tora van IsraŽl wordt gepredigt aan de volkeren van het Romeinse Rijk. De genius van Rome wil zijn eigen Rijk handhaven en gebruikt daarvoor ook het Hellenisme. De verwachting van Alexander en Caesar leefde echter nog. Het Hellenisme verlangde naar onsterfelijkheid en het syncretisme verzamelde uit verschillende religies wat verwijst naar het komende Koninkrijk Gods. De apostolische prediking vervulde het Hellenisme: kennis van de Hoogste God in liefde.

Maar in hoeverre moest men het Romeinse gezag dan nog (blijven) erkennen? Jezus leerde (Lucas 20): "geef de keizer wat des keizers is (de munt met zijn beeldenaar, dus: de afgodendienst) - geef Gode wat Godes is (de mens als Beelddrager Gods)". Paulus gaat hierop in in Romeinen 13. Iedere ziel (het beginsel van het lichamelijke aardse bestaan) is ondergeschikt aan hogere machten: de geest in de mens zelf en de geestelijke machten buiten hem. Ware machten zijn verbonden met de goddelijke wereld. Tegen deze ware machten mag de ziel zich niet verzetten. De toetssteen voor het gezag is: het goede belonen en het kwade straffen. Het ware gezag hanteert het zwaard enkel naar goddelijke maatstaf (niet vanuit eigen doelstelling) dus in nauw contact met de engelen. De taak van de overheid is liturg te zijn van de goddelijke wereld en zo het Koninkrijk Gods op aarde voor te bereiden. (NB: volgens De Graaff is de zwaardmacht niet de doodstraf maar de macht van het Woord). Het Romeinse gezag wordt alleen erkend voorzover het meewerkt aan de komst van Gods Koninkrijk.

Zo overwint IsraŽl Rome: de God van IsraŽl wordt erkend als de God der goden: de Jood Jezus wordt gesteld boven de keizer; de ethiek van IsraŽl wordt ingevoerd; de slaven worden geestelijk vrij.

VIII. HET ROMEINSE TEGEN-OFFENSIEF.

Het tegen-offensief van Rome heeft twee opeenvolgende stromingen:
a) Eerst worden de christenen wreed vervolgd. Maar hun geloofsmoed maakt diepe indruk. En de apologeten stellen het christendom voor al de enig-ware filosofie. De esoterische band met IsraŽl wordt daarbij gaandeweg vergeten.
b) Daarna probeert de genius van Rome het christendom te gebruiken ten eigen behoeve. De overgang van Constantijn (313) maakt het christendom tot een Romeinse zaak. Het christendom wordt Rooms-Katholieke Kerk: vernieuwing van het Romeinse Rijk. De band met IsraŽl wordt verbroken. IsraŽl houdt alleen stand, met als medestanders het Partische en later het Nieuw Perzische Rijk, en veel later de Reformatie.

Ook van Hellenistische zijde wordt het christendom aangevallen. Naast het Hellenisme van Alexander staat het Hellenisme van de diadochten. Dit laatste wil het christendom helleniseren = bevrijden van Joodse smetten. Dit gebeurt in de gnostiek. De gnostiek ziet als heil de vernietiging van de schepping (nihilisme). De gnostiek is anti-Joods. Haar kenmerken zijn:
1. een wetende relatie tot het zijnde en tot God.
2. men vindt God in zichzelf (zielevonk)
3. verlossing = terugkeer van de zielevonk tot haar oorsprong
4. verachting van de schepping (het werk van de God van IsraŽl) en dus van de opstanding.
De gnostiek is bestreden door het Hellenisme (in het neo-platonisme!) en door het Christendom (eerste artikel!). Alle nihilistische bewegingen van de geschiedenis zijn te herleiden tot de gnostiek.

IX. HET NEO-PLATONISME.

Paulus had als leerling Dionysius de Areopagiet. Diens geschriften (door De Graaff direct of indirect aan Dionysius zelf toegeschreven) zijn sterk neo-platoons. Ze zijn speciaal bestemd voor de hoogst-ingewijden. Zo heeft Paulus het platonisme ingewijd in de hoogste liefde (1Corinthe 13).

Deze esoterische traditie werkt door bij Ammonius Saccas, een autodidaktisch filosoof die zelf geen geschriften heeft nagelaten (netzomin als Boeddha, Pytagoras, Socrates en Jezus). Ammonius is opgegroeid als christen en later teruggekeerd tot het oude Hellenisme (waarschijnlijk omdat in het christendom de Romeinse invloed de Joodse achtergrond verdrong).

Zijn leerling is Plotinus: de grote wijsgeer van het neo-platonisme is. De doorwerking van Paulus is zichtbaar in enkele verschillen van het neo-platonische met het platonisme: boven de ideeŽnwereld staat to"(En = Het Ene (vgl. "de HERE is ťťn"); God heeft drie hypostasen: Het Ene, de Geest en de Ziel; de stoffelijke werkelijkheid is waardevol als schepping van God; en het afzonderlijke schepsel heeft een unieke betekenis. Plotinus keert zich fel tegen de gnostici, omdat zij de werkelijkheid losmaken van God (nihilisme). Het kwaad is geen zelfstandige macht, maar voortgekomen uit Het Ene. Onduidelijk blijft of Plotinus de Verlossing heeft gekend.

Het neo-platonisme verzette zich tegen het christendom vanwege de anti-joodse trek van het christendom (invloed van de genius van Rome!). De neo-platoonse keizer Julianus Apostata vereerde de God van IsraŽl als de Hoogste God. Hij wilde de tempel in Jeruzalem herbouwen.

Maar de impuls van Paulus op de Areopagus heeft ook een christendom doen ontstaan dat niet onder invloed staat van Rome, via een andere leerling van Ammonius Saccas: Origenes.

X. ORIGENES.

Origenes had als leermeester de neo-platonicus Ammonius Saccas en een Joodse leraar (pag. 481). Hij woonde in AlexandriŽ, de stad van Alexander. Hij kende de geest van Alexander. Hij vatte alle elementen van de oudheid samen tot een geheel, gecomponeerd vanuit de wijsheid Gods: het in Jezus vleesgeworden Woord. God heeft door het Woord de wereld geschapen uit liefde. Deze goddelijke liefde vraagt wederliefde in vrijheid. Dit impliceert dat de schepselen zich kunnen toewenden tot God maar ook afwenden van God. De menselijke ziel van Jezus heeft zich door de liefde volkomen verbonden met het Goddelijke Woord. In Jezus is de verbinding van God met de hele schepping gegeven. Zo handhaaft Origenes zowel de transcendentie Gods als de verlossing van het vlees (opstanding des vleses!). Tenslotte zal Gods eindeloze liefde overwinnen. Daarom verwacht Origenes de 'apokatastasij pantwn = het herstel aller dingen (Handelingen 3:21).

Origenes heeft zichzelf gecastreerd. Niet enkel uit een letterlijke opvatting van Mattheus 19:12 (voor Origenes was de allegorische uitleg van een tekst de belangrijkste!), maar om zich te onttrekken aan homosexualiteit.

Origenes is de theoloog van Gods liefde. In 543 en 553 werd Orgines door de kerk tot ketter verklaard, vooral vanwege "het herstel van alle dingen". Origenes gelooft dat Gods liefde zo sterk is dat er buiten Gods Koninkrijk niets kan blijven bestaan: "opdat God alles in alles zal zijn".

XI. DE OVERGANG VAN CANSTANTIJN DE GROTE.

In 313 staat Constantijn tegenover zijn rivaal Maxentius. Voor de slag ziet hij in een visioen kruisteken en Christusmonogram. Hij hoort de woorden "Hierdoor zult gij overwinnen". Volgens De Graaff spreekt hier de genius van Rome (!) die zich vermomt als Jezus (!) ; de genius wijst aan Constantijn de (op Rom einse wijze georganiseerde) kerk aan als middel om te overwinnen (typerend voor deze genius: de tegenstander bruikbaar maken voor eigen doel). Daarmee stroomt vanuit IsraŽl een grote zegen binnen in het Romeinse Rijk, maar niet de hoogste volheid.

Als keizer gehoorzaamde Constantijn aan de genius van Rome (hij heeft gruwelijke wreedheden begaan) - als mens heeft hij zich aan Christus toevertrouwd (hij liet zich dopen op zijn sterfbed). In 325 riep hij het concilie van Nicea bijeen. De leerbeslissingen daarvan heten dogmata = keizerlijke geboden (vgl. Lucas 2:1!) volgens de maatstaf van de genius van Rome en ten dienste van het Romeinse Rijk. Dat betekent selectief gebruik van de bijbelse gegevens. Vandaar de discrepantie tussen de IsraŽlitische bijbelse boodschap en het dogma van de christelijke kerk. Constantijn forceert het dogma dat de Zoon"(omoousioj twi patri = wezensgelijk met de Vader is. De genius van Rome in de vermomming van Jezus (het omgekeerde van de list van Jakob in de vermomming van Ezau) wil zich niet onderwerpen aan de God van IsraŽl, maar deze gebruiken ten eigen behoeve. De term wezensgelijk is niet bijbels. (De genius van) Rome stelt zich in de plaats van (de Messias van) IsraŽl. Vandaar de onwil tot nu toe van IsraŽl om Jezus te herkennen. Zo heeft Rome toch gewonnen: de zegen van IsraŽl gebruikt - het volk van IsraŽl verworpen.

Nu Constantijn de kerk dienstbaar had gemaakt aan het Imperium, was het (door het evangelie versterkte) Hellenisme geen gevaar meer voor hem. Daarom kon hij zijn hoofdstad verplaatsen naar het oosten: Byzantium / Constantinopel.

XII. AUGUSTINUS.

Deze metahistorische gebeurtenissen zijn samengevat in de leer van Augustinus. Zijn naam legt het verband met keizer Augustus: dienaar van Augustus, dus van de genius van Rome. Bij zijn uitleg van Genesis 32 (Jakobs worsteling met de genius van Ezau = Rome) noemt Augustinus deze genius type van Christus (bevestiging van het visioen van Constantijn). De profetie van IsraŽls overwinning op Rome wordt bij Augustinus tot profetie van het lijden van Christus door de Joden. IsraŽl is ondergeschikt aan de Romeinse doelstelling.

Augustinus schrijft De Civitate Dei (Over de Staat Gods) na de plundering van Rome door de Ariaanse West-Gothen. De Arianen bestreden de wezensgelijkheid van Vader en Zoon. De Gothen keerden zich niet tegen Christus, maar tegen de Romeinse genius die zich voordoet als enige openbaring van Christus, gelijkwaardig aan de God van IsraŽl. Door Augustinus probeert de genius van Rome het West-Romeinse Rijk te redden. Het oude heidense Rome van de keizers is in verval geraakt. In plaats daarvan treedt de Rooms-Katholieke Kerk onder leiding van de paus. Terwijl het Koninkrijk Gods eindeloos is, heeft het Romeinse Rijk en dus ook de Romeinse Kerk grenzen. Zoals het Romeinse Rijk een militaire macht is, zo pleit Augustinus voor ascese en celibaat als geestelijke discipline. Daarmee doet Augustinus onrecht aan het bijbelse huwelijk en dus aan het Beeld Gods als mannelijk + vrouwelijk.

De profetie aan Rebekka: "De oudere (= Ezau / Rome) zal de jongere (= Jakob / IsraŽl) dienen" (Genesis 25: 23) wordt door Augustinus omgekeerd opgevat als: "De oudere ( = het Joodse volk!) zal de jongere ( = de [Romeinse!] christelijke kerk!) dienen"! Deze uitleg markeert een metahistorisch gebeuren: IsraŽl wordt afgeschreven en daarmee wordt de verlossing van de wereld opnieuw eeuwenlang uitgesteld. Als persoon heeft Augustinus de band van de Joden met de Messias en de zegen vanuit de verstrooide Joden beseft, maar de genius van Rome beperkt zijn geest. Volgens Augustinus zijn het niet de Romeinen maar de Joden die Jezus hebben gedood! Volgens Augustinus is het Duizendjarig Rijk (Openbaring 20) de Kerk van Rome; en zijn degenen die met Christus mee-regeren (vers 4) de bisschoppen. Bij zijn uitleg van de voleinding (Openbaring 20-22) voorziet hij een dubbel einde: het eeuwige Koninkrijk Gods ťn de eeuwige hellestraf. Hier blijkt het verschil tussen Origenes en Augustinus: Origenes wordt geleid door de genius van Alexander die de hele wereld wilde voorbereiden op de verlossing; daarom leert Origenes de wederoprichting van alle dingen: God eenmaal alles in alles. Augustinus wordt geleid door de genius van Rome: het Rijk dat steeds zijn grenzen verdedigt; daarom leert Augustinus de eeuwige grens tussen hemel en hel.

In zijn Confessiones vertelt Augustinus (in gebed-vorm) hoe hij de vrouw die hem liefheeft wegzendt omdat zij een wettig huwelijk in de weg staat. Terwijl zij hem blijft liefhebben, stelt hij zich liefdeloos op. De Romeinse mentaliteit was bedorven door brood en spelen. Augustinus heeft persoonlijk ervaren dat hij deze demonie niet kan overwinnen. Daarom sublimeert hij de perversiteiten door de discipline van ascese en celibaat; maar ook het huwelijk wordt bij Augustinus een (lagere) vorm van discipline; de homosexualiteit wijst Augustinus beslist af. Door deze discipline heeft Augustinus het Romeinse volk moreel hersteld: doorwerking van de zegen van IsraŽl ("gij zult niet echtbreken"), maar op Romeinse wijze gebruikt voor het eigen (geestelijke) belang: Augustinus sublimeert de zinnelijke liefde tot liefde tot God (frui Deo). Deze God is de genius van Rome, maar als een omnevelde doorkijk naar de Hoogste God. Zo wordt ook de demonie van de gladiatorspelen overwonnen door het gebod ("gij zult niet doden"), maar niet uit medelijden met de gladiatoren maar in het geestelijk eigenbelang van de gelovige; de bloeddorst wordt gesublimeerd tot het vooruitzicht van het aanschouwen van de hellestraffen der verdoemden.

Augustinus heeft het Romeinse volk gered van hun morele verval. Hij heeft de Heilige Schift van IsraŽl doorgegeven aan de kerk. Zo aanvaardt Ezau tenslotte de schatten die Jakob hem opdringt (Genesis 33:11). Na de val van Rome (476) bestaat het West-Romeinse Rijk voort in de Rooms-Katholieke Kerk: het wezen van de Westerse cultuur. Rome gebruikt de schatten van IsraŽl ten eigen bate. De Verlossing is weer voor eeuwen uitgesteld. De Verlossing zal aanbreken als Rome IsraŽl erkent als volk van de Verlossing; dan zal ook IsraŽl eindelijk openlijk zijn Messias erkennen.

ENKELE OPMERKINGEN TOT SLOT:

1. De achtergrond van De Graaffs metahistorie is met name Deuteronomium 32: 8-9 Septuaginta:

Toen de Allerhoogste de volkeren verdeelde
toen Hij de kinderen van Adam verspreidde,
stelde Hij de grenzen der volkeren
naar het getal der engelen Gods (of: der goddelijke wereld);
en werd het deel des HEREN Zijn volk Jakob,
Zijn toegemeten erfdeel IsraŽl".

Dus: alle volkeren hebben hun engel of genius, maar IsraŽl staat rechtstreeks onder de Allerhoogste God.

2. Een volgende bouwsteen van zijn metahistorie is de op Joodse bronnen teruggaande identificatie van Ezau met Rome. Dat brengt hem tot de lijn Ezau > Edom > Herodessen = Troje > Rome > Rooms-Katholieke Kerk.

3. Soms lijkt De Graaff de "alwetende verteller" van een roman die mťťr weet dan zijn personages. Waren bijvoorbeeld Alexander de Grote en Julius Caesar zich werkelijk bewust van hun metahistorische rol? Of is het (ook) het vervolg van de geschiedenis, die aan bepaalde personen en gebeurtenissen een beslissende betekenis geeft? - Op een aantal punten spreekt De Graaff van een esoterische traditie, waardoor mensen binnenskamers meer wisten dan ze naar buiten toe lieten blijken; bijvoorbeeld Kajafas en het Sanhedrin in het proces tegen Jezus.

4. De uitleg die De Graaff van bijbelteksten geeft is meestal verrassend, maar niet altijd overtuigend. Gaat het in Handelingen bijvoorbeeld werkelijk om de strijd tussen IsraŽl en Rome (het oorlogsjargon gaat op den duur tegenstaan). Dat roept ook vragen op bij zijn interpretatie van buiten-bijbelse teksten.

5. In de metahistorische visie van De Graaff zijn er good guys en bad guys, ongeveer als volgt:

Jakob - IsraŽl - Joden

Ezau - Edom - Rome

Homerische Grieken

Trojanen

Perzen

Grieken

Alexander de Grote

diadochen

Caesar

Augustus

Kajafas

Pilatus en Herodes

neo-platonisme

gnostiek

Origenes

Augustinus

uiteindelijk herstel aller dingen

eeuwige hemel en hel

Oosters-Orthodoxe Kerken en Protestantisme

Rooms-Katholieke Kerk

Maar het is de vraag of de geschiedenis zo zwart-wit is.

6. De verdienste van De Graaff is voor mij dat hij aandacht vraagt voor a) de geestelijke krachten Šchter de zichtbare geschiedenis (ook als we die minder zouden willen schematiseren) en b) de blijvende geestelijke en historische betekenis van IsraŽl; vgl. de sleuteltekst van De Graaff: "Ik zal zegenen wie u zegenen ... en in u zullen alle volkeren gezegend worden" (Genesis 12:3).

http://home.wanadoo.nl/kamermans/degraaff.htm

TERUG NAAR INDEX

terug naar boeken